Piazza Navona - Roma

Gebouwen en monumenten

Zoals gezegd, staat Piazza Navona vol majestueuze gebouwen, werken en monumenten uit verschillende perioden van de Romeinse geschiedenis. Enkele van de meest relevante zijn vermeld in het historische gedeelte van dit artikel en zullen hieronder nader worden toegelicht.

De fonteinen van Piazza Navona

Zoals eerder vermeld, zijn er drie fonteinen op het Piazza Navona: de Fontana del Moro ( Morenfontijn), de Fontana del Nettuno (Neptunusfontein) en de Fontana dei Quattro Fiumi (Vierstromenfontein), die hieronder nader zullen worden toegelicht.

De Morenfontijn

Deze fontein is gebouwd aan de zuidkant van het plein onder de ramen van Palazzo Pamphilj. Het werd gebouwd door Gregorius XIII en gebeeldhouwd door Giacomo della Porta in 1576.

In 1653 verfraaide Bernini deze fontein met een dolfijn die een slak in zijn opgeheven staart vasthoudt. In feite heette de fontein “della Lumaca” (van de slak), totdat de figuur in het midden (die noch de familie Pamphili noch de stad beviel) werd vervangen door de Moor, een borstbeeld van een Ethiopiër die een dolfijn vasthoudt, waaraan de fontein haar definitieve naam ontleent. De maskers en beeldhouwwerken van de tritons zijn kopieën van de originelen die in de tuinen van de Villa Borghese te zien zijn.

De Neptunusfontein

Dit monumentale complex aan de noordzijde van het plein, werd eveneens in 1576 ontworpen door Giacomo della Porta, samen met de Fontana del Moro. Het was echter lange tijd verwaarloosd (voor ongeveer 300 jaar) waarbij het centrale standbeeld ontbrak.

Het beeld van Neptunus, die met zijn drietand vecht tegen een octopus, werd in 1873 geplaatst toen de gemeente Rome het werk na een wedstrijd toewees aan de Siciliaanse beeldhouwer Zappalà en de Romein della Bitta.

De andere beelden tonen twee zeepaardjes, zeemeerminnen en cupido’s die met dolfijnen spelen. Enkele werden toegevoegd door Bernini in de 17e eeuw, en de architectonische compositie werd voltooid in de 19e eeuw met de toevoeging van de Tritons.

De Vierstromenfontein

De Fontein van de Vier Rivieren, die het centrum van het plein domineert, is de aantrekkelijkste en grootste van de drie fonteinen op het Piazza Navona. Het was de enige fontein die volledig door Bernini is ontworpen, en werd voltooid in vier jaar (1647-1651).

De beelden, verrijkt met dierlijke en plantaardige elementen, stellen de personificatie voor van de vier rivieren die symbool staan voor de macht van de Kerk die zich uitstrekte over de vier destijds bekende continenten.

De fontein maakt Bernini’s opvatting van de barokke stad duidelijk: deze versmelt met de natuur en herwint de aanwezigheid van de vier elementen: aarde, lucht, water en vuur. Dit wapenarsenaal is mogelijk dankzij een artistieke techniek die de natuur en haar ontembare elementen transformeert en ze volgzaam en ordelijk maakt.

De vier riviergoden staan rond een massieve rots, waarop ook een obelisk te zien is. Zij vertegenwoordigen tevens de wereld zoals die in die eeuw bekend was. Europa wordt vertegenwoordigd door de Donau, die werd gebeeldhouwd door Fransman Claudio Poussin, vergezeld van een paard, symbool van dit continent.

Afrika wordt vertegenwoordigd door de Nijl, die werd gebeeldhouwd door Giovanni Antonio Fancelli, en waarin ook een leeuw voorkomt. De ogen van de riviergod zijn bedekt met een stuk stof omdat de bron van de Nijl toen nog niet bekend was.

De riviergod van Zuid-Amerika wordt uitgebeeld door de Rio de la Plata, die werd gebeeldhouwd door Antonio Raggi. De munten staan symbool voor de bodemschatten in het gebied van de rivier.

Het vierde en laatste continent is Azië. De Ganges die werd gebeeldhouwd door Francesco Baratta is de belangrijkste rivier en is de enige vertegenwoordiger van dat continent, afgebeeld door een bebaarde persoon die een roeispaan vasthoudt (deze symboliseert de bevaarbaarheid van de rivier).

Tot slot luidt het opschrift op het monument dat de fontein “heilzame pracht biedt aan hen die wandelen, drank aan hen die dorst hebben en gelegenheid voor hen die willen mediteren”. Een allegorie van zuiverend en dorstlessend water voor de ziel in afwachting van geestelijke verlossing.

De obelisk op Piazza Navona

De Fontein van de Vier Rivieren wordt bekroond door een reproductie van een Egyptische obelisk. Deze werd in 1647 opgericht en heeft bovenop een duif, die symbool staat voor Paus Innocentius X. De obelisk werd naar deze plaats overgebracht vanuit het Circus van Maxentius, gebouwd ter ere van zijn zoon Romulus.

Het werk verheerlijkt de keizers Vespasianus, Titus en Domitianus. Hiërogliefe inscripties, waarin de naam van deze laatste voorkomt, bewijzen dat het oorspronkelijk bij een ander monument hoorde: het stond namelijk samen met drie andere obelisken in de buurt van de tempel van Isis.

De granieten obelisk is 16,54 meter hoog. Het heraldisch wapenschild van de paus en de duif met olijftak versieren de piramidale rots en symboliseren de goddelijke kracht die als een zonnestraal vanuit de vier hoeken van de obelisk neerdaalt naar de rots eronder, die doet denken aan vormloze materie of chaos.

Opmerkelijk is dat de grot die direct onder de beelden van de Vier Rivieren is gegraven, met een marmeren paard dat uit de holte tevoorschijn lijkt te komen, niets anders is dan een architectonische truc om de indruk te wekken dat de zware obelisk in de lucht zweeft. Uiteraard wordt deze sensatie versterkt door de verschillende water- en lichtspelingen.

Het is bekend dat dit project oorspronkelijk aan Borromini was toevertrouwd, maar Gian Lorenzo Bernini wist de gunst van de paus en zijn adviseur te herwinnen, zodat Innocentius X uiteindelijk de bouw van de fontein aan Bernini opdroeg.

Palazzo Braschi (Museum van Rome)

Vóór het Palazzo Braschi werd in Rome in 1435 het Palazzo Orsini gebouwd, genoemd naar de prefect die het initiatief nam tot de bouw. De hoofdingang keek uit op Piazza Navona.

Het gebouw werd in 1791 afgebroken in opdracht van Paus Pius VI en zijn neef Luigi Braschi-Onesti. Toen werd een ander gebouw opgetrokken, ontworpen door de architect Cosimo Morelli. Het werk werd voltooid in 1804 en gaf aanleiding tot een van de laatste voorbeelden van pauselijk nepotisme (in feite werden ook kerkelijke fondsen gebruikt): het Palazzo Braschi.

Tijdens de Franse bezetting werden talrijke kunstwerken naar Frankrijk verscheept tijdens de Napoleontische plunderingen (in de gebieden van het Eerste Franse Keizerrijk), en de meeste daarvan zijn nooit teruggekeerd. Bijna al deze werken bevinden zich nu in het Louvre Museum in Parijs.

Nadat het in 1871 aan het Koninkrijk Italië was verkocht en gebruikt als hoofdkwartier van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, werd het paleis tijdens de fascistische dictatuur de residentie van enkele instellingen van het regime en bood het tijdelijk onderdak aan de Madonna del Fascio. In de herfst van 1943 werd het de zetel van de Republikeinse Fascistische Partij en huisvestte het het hoofdkwartier van de Gewapende Garde van Palazzo Braschi, één van de repressieve groepen die in fascistisch Italië actief waren.

Na de oorlog werd het paleis tot 1949 verlaten en bewoond door zwervers en vluchtelingen, die vele fresco’s van het paleis beschadigden en stalen. In 1952 werd de zetel van het Ministerie echter overgebracht naar het Viminale Paleis en werd Palazzo Braschi de vestigingsplaats van het Museum van Rome.

In dit grandioze bouwwerk is nu de belangrijkste verzameling van kunstvoorwerpen die verband houden met de geschiedenis van de kunst en het leven in Rome van de 15e tot het begin van de 20e eeuw ondergebracht. Op de charmante binnenplaats en in de beschilderde zalen met hun originele tempera decoratie en delicaat stucwerk worden meer dan 100.000 werken tentoongesteld waaronder beeldhouwwerken, gravures, schilderijen, tekeningen, meubilair, koetsen en rijtuigen, antiquiteiten en fresco’s.

Architect Giuseppe Valadier droeg bij aan de bouw van een kenmerkend symbool van het paleis: de monumentale trap met antieke standbeelden, versierd met verfijnde stucreliëfs waarbij auteur Luigi Acquisti zich liet inspireren door de mythe van Achilles en de Ilias.

Sant’Agnese in Agone

De kerk van Sant’Agnese in Agone werd volgens de legende gesticht op de plaats waar de dertienjarige Agnese in 304 na Christus werd doodgemarteld, een gebeurtenis waarover meer in detail zal worden gesproken in het gedeelte Weetjes over Piazza Navona.

Het complex werd gebouwd op de fundamenten van een vroegchristelijke basiliek die vóór de 8e eeuw werd gebouwd en vervolgens in de 12e eeuw in opdracht van Callistus II werd herbouwd. Rond het jaar duizend was er dus een kleine, primitieve kerk van Sant’Agnese in Agone.

Paus Innocentius X gaf in 1644 opdracht tot de bouw van een paleis voor zijn familie op het plein waar reeds Bernini’s prachtige fontein was gebouwd. Kort daarna, in 1651, besloot de paus een nieuwe kerk op te richten op de resten van de kleine basiliek van Sint Agnes.

De kerk werd voor het eerst ontworpen in 1652 door Girolamo Rainaldi (1570-1655) in barokstijl. De opdrachtgever was Innocentius X Pamphili, wiens graf zich in de kerk bevindt.

De familie Pamphili wilde van de kerk hun privé-kapel maken, daarom besloot de paus de opdracht in 1653 aan Francesco Borromini te geven. Borromini sloopte de voorgevel van de kerk die door de familie Rainaldi was gebouwd en ontwierp een nieuwe gevel van complexe plasticiteit, die we vandaag de dag nog steeds kunnen bewonderen.

Het interieur van de kerk gaf een impressie van grootsheid door het licht dat door de ramen van de koepel naar binnen scheen. Innocentius X liet ook een raam maken in zijn privé-vertrek in het paleis, zodat hij van daaruit de mis kon bijwonen.

Ook is er een trap gebouwd die leidt naar de kelder, een oud middeleeuws oratorium dat is gebouwd op de plaats van het martelaarschap van de heilige Agnes. Verder zijn de kerkklokken afkomstig uit de kathedraal van Castro, een Farnese vorstendom in het Viterbo gebied, die op bevel van de Paus werd verwoest.

Deze kerk van bijna buitensporige pracht wordt gedomineerd door het gebruik van warm gekleurd marmer. Bernini verving, samen met andere architecten, kortstondig Borromini, maar veranderde niets aan de eenheid van zijn meesterwerk.

Hij beperkte zich ertoe het interieur van de kerk te verfraaien met bladgoud, beeldhouwwerken en een overvloed aan polychroom marmer. Hij gaf ook anderen opdracht de kerk en de koepel te decoreren met fresco’s. Het interieur van de kerk is een prachtig museum van barokke beeldhouwwerken, die een zeer belangrijk hoofdstuk vormden in de artistieke geschiedenis van de 17e eeuw.

Tenslotte omvat de weelderige kerk vier kapellen (van de heilige Agnes, de heilige Filippus Neri, de heilige Franciscus van Rome en de heilige Sebastiaan) en vijf altaren (het hoogaltaar, het altaar gewijd aan de heilige Emerenziana, de heilige Cecilia, de heilige Eustatius en de heilige Alexis).

Het paleis van Pamphilj

Dit gebouw behoorde toe aan de rijke familie Pamphili en was aanvankelijk een klein paleis met een bescheiden voorgevel. Het werd voor het eerst uitgebreid rond 1630, toen Giovanni Battista kardinaal werd, en vervolgens tot monument gemaakt toen hij in 1644 tot paus werd gekozen als Innocentius X.

De wederopbouw van het Palazzo Pamphilj werd toevertrouwd aan Girolamo Rainaldi, die om financiële en sentimentele redenen de voorkeur kreeg boven de grote architecten van die tijd. Hij werd vergezeld door de jonge Francesco Borromini, wiens werk beperkt bleef tot het ontwerpen van de hal en de galerij.

Een aantal huizen naast het oude gebouw werden aangekocht en de werkzaamheden vorderden zo snel dat het in 1651 voltooid was. Rainaldi is er, ondanks de beperkingen van de bestaande gebouwen, in geslaagd een gebouw te creëren dat over het geheel genomen een eenheid vormt. De architectuur van het paleis was niet erg origineel, maar de decoratie van de galerij door Pietro da Cortona maakte er een barok juweel van.

Het paleis domineerde het plein van buiten en was van binnen buitengewoon fraai. De zalen hadden namen die afgeleid waren van het thema van de fresco’s: de zaal van Bacchus, de zaal van Ovidius, de marinierszaal en de zaal van Mozes.

Maar het beste decor was ongetwijfeld de Aeneas-galerij, waar het verhaal wordt verteld van de Trojaan Aeneas, die op de kust van Latium aan land ging om een nieuw ras van veroveraars te doen ontstaan: de Romeinen.

De galerij was bedoeld om verwondering op te wekken en is daarom een gang van 33,20 meter lang en 7,20 meter breed. Het schilderij was licht en dynamisch, vol vitaliteit en verbeelding, gekenmerkt door lichte en heldere kleuren die een indruk van grote elegantie wekten.

Toen de familie Pamphilj zich in een nieuw gebouw in de Via del Corso vestigde, werd het paleis aan de Piazza Navona verlaten en verhuurd aan onder meer de Accademia Filarmonica Romana. Zelfs toen de familie de naam Doria-Pamphilj aannam, heette het Palazzo Pamphilj of Palazzo Pamphili, dat in 1920 door Brazilië werd gekocht en thans als ambassade wordt gebruikt. Het is ook de plaats voor artistieke en culturele tentoonstellingen.

Misschien ben je ook geïnteresseerd in...

Introductie
Gebouwen en monumenten